Back to Blog
Ons Spaans avontuur Sep 10, 2026

November 2025: Dag 4, Sábado en casa

By Casa Azafranes

November 2025: Dag 4, Sábado en casa

7:30. Klaarwakker. Ready for another day. We blijven vandaag lekker thuis: en casa, zoals de Spanjaarden dat zeggen.

Koffietje, gsm opentrekken… oei. Bericht van mijn zus om 5:22. Een mens denkt meteen: “Hopelijk niks mis?” Maar neen hoor, Nanou uit haar contentement. Ze is gewoon blij dat wij hier zo stralen. Oefff.

Ik stuur terug: “Al wakker zo vroeg? Het is zaterdag hoor!” Maar ja, shiften… dat verandert een bioritme in confituur.

Tijd voor een videocall. Ik zie aan haar totje dat ze verlangt om af te komen. We tetteren tot er aan beide kanten activiteit in huis komt. Dan stoppen we.

Petje is wakker en komt een pieper geven, trots als een pauw: “Ik ga een vuurtje stoken hoor.” Zoals een echte Spanjaard. Alleen… mijn Spanjaard is pompier, dus die staat erbij te glunderen: “Kijk eens, wij hebben bijna geen rook!”

Ik laat hem spelen met zijn vlammetjes en ga de afwas van gisteren doen. Ontbijtje maken. Wij nestelen ons op het terras. Tijd voor de dagplanning.

Peter: zwembad. Ik: straatkant. De robot wordt in het water gegooid, dat ding stofzuigt de bodem én de muren. Pure tovenarij.

Ik wandel naar mijn strijdtoneel: 70 meter dode takken, onkruid en een cactus die eruitziet als een egel op speed met agressieproblemen. Ik zie meteen: dit is een moordwapen. Als hier een fietser in belandt, komt die als een egel op spoed aan. Misschien heb ik te veel verbeelding. Misschien ook niet.

Image

Handschoenen aan. Drie paar. Stekkers lachen mij vierkant uit. Ik word overal geprikt. Ik trek, sleur, vloek en vecht mijn weg door de jungle. Het zweet staat in mijn onderbroek.

Image

Afval genoeg voor een gans vreugdevuur. Peter gaat content zijn.

Image

Na enkele uren denk ik: “Ik zal eens kijken hoeveel ik heb gedaan.” 11 meter. Van de 70. O boy. Days. Daaaays. Gelukkig: geen cactussen meer in de rest, maar wél andere prikkeldingen. Want niets groeit hier zonder zichzelf te verdedigen.

En dat fascineert me. Bijna elke plant heeft stekkers. Bijna elke plant klauwt met tentakels naar de zon. Alles hier is survival mode deluxe.

Ik kijk rond en denk: “Dit zijn sterke planten. En ik ga hier goed zitten, want ondanks alles hebben ze mij ook nog niet klein gekregen.” Mentale kracht terug? Check. Fysiek? Euh… tja. Pauzes en teusjes nodig. Veel.

Tijdens die pauzes check ik stiekem mijn gsm: mijn oudste, Yaro, zal bellen. Spannende tijden. Het restaurant opent binnenkort. En ja, zoiets kan een moeder niet missen. Ook daarom is ons vertrek naar Spanje wat uitgesteld. Dat kan een mama toch niet missen?

Ik ben trots. En bezorgd. Hij is 22. Hij gaat het goed doen ben ik zeker. Maar zorgt hij wel genoeg voor zichzelf?

Dan rinkelt de telefoon. Yes.

Hij belt vanuit de keuken, aardappelen in de hand. Plots vraagt hij: “Mama, gratin patatjes met parmezaan… is dat een ding?” Ik: “Keppie, jij bent de chef, maar ik denk: JA.”

Ik geniet van hem bezig te zien. Wij twee: eten = liefde. Mijn gedachten gaan terug naar kleine Yaro. Toen hij zes was vroegen ze hem: “Wat wil jij dat ik klaarmaak?” Hij, al kwijlend: “Een lamskroontje is altijd goed.” Iedereen keek mij aan alsof ik hem als mini-keizer had opgevoed. Wat is er mis met lekkere, gevarieerde kost? Niks toch?

We nemen afscheid, niet zonder dat ik zeg dat hij alweer is afgevallen. “Goed eten hé!”

Na nog een uur trekken, sleuren en “AI AI AAAAAI” geef ik er de brui aan. Ik ben tettekaduk.

Ik ga naar binnen. “Petje… zullen we niet gewoon iets gaan eten? Ik heb geen fut meer.” Hij had dezelfde gedachte.

Hij wil vlees, een goeie steak. Ik niet, nooit geweest. Ik koop ook geen vegetarische worst: groenten die naar vlees smaken? Wie wil dat? Ik ben een viswuf. En een goeie kip kan ook. Af en toe wat vlees voor het ijzer. Klaar.

We trekken het dal over naar Sayalonga. Ze geven ons water, dus we gaan ze leren kennen. Een restaurantje trekt onze aandacht. Gezellig. Geen reservatie? Toch welkom.

Niet veel later staat madam met een plateau gerijpt vlees waar ze precies zelf een emotionele band mee heeft. 900 gram vlees. Wie krijgt dat op? Peter waarschijnlijk.

Ik ga voor een brochette van datzelfde vlees. En hoe was het? Ja… het was vlees. Het smaakte naar… vlees.

Met volle buiken rijden we terug. In het donker stopt Peter en zegt: “Kijk, daar wonen we.” Ik turen. Niks. Het is donker. Wat moet ik zien? Ah ja, een lichtje op de patio. “Probeer dat morgen nog eens, schat.”

Eens thuis duiken we meteen in bed. Moe maar muy voldaan.